Paulus had zojuist in Romeinen 6 geschreven: “Maar God zij dank: u was wel slaaf van de zonde, maar nu bent u van harte gehoorzaam geworden aan het voorbeeld van de leer waaraan u overgegeven bent. 18. En, vrijgemaakt van de zonde, bent u dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid.” (Romeinen 6:17-18). En nu beschrijft hij zichzelf als ‘verkocht onder de zonde’. Hoe kunnen we deze twee waarheden met elkaar in overeenstemming brengen?
Deze schijnbare tegenstelling is eigenlijk eenvoudig te begrijpen. Wanneer een persoon een gelovige in Jezus wordt, is zijn ‘oude mens’, ‘oude natuur’ of ‘vroegere zelf’ nu gestorven, en heeft de gelovige nu een nieuwe natuur, Gods natuur (2 Petrus 1:3-4). Deze ‘nieuwe zelf’ of de ‘nieuwe mens’ houdt van heiligheid en, zoals Paulus hierboven beschreef, ‘wil goed doen’.
Maar dit nieuwe zelf met Gods natuur heeft machtige vijanden waarmee hij dagelijks te kampen heeft. Het nieuwe zelf leeft in een onverlost lichaam (Romeinen 8:23), heeft een vlees dat koppig en veeleisend is, met verlangens die verkeerd en slecht zijn (zie 1 Petrus 2:11).
Een andere vijand waar we mee te maken hebben is Satan, die zeer bekwaam en sluw is met een eeuwenoude praktijk van het misleiden van gelovigen en ons halve waarheden laat omarmen, wat tot slavernij leidt. Het aanvaarden van zijn leugens als we in zonde zijn gevallen, kan ervoor zorgen dat we overweldigd worden door schuldgevoelens en veroordeling. (Zie Addendum C voor meer hulp over het overwinnen van veroordeling.) Ten slotte: we leven in een gevallen wereld die ons lokt en verleidt met zijn glimmende snuisterijen en valse beloften. Dit alles kan in het hart van een gelovige in beweging komen: lust van het vlees, verlangen naar wat we zien, horen, proeven en ruiken, en trots in ons hart.
“Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.” 1 Johannes 2:16
Maar als we in Romeinen 7 verder lezen, ontdekken we een schokkende waarheid: de apostel Paulus, jij en ik zondigen eigenlijk nooit. Wat? Hoe kan dat? Let op de volgende verklaring:
“Immers, het willen is er bij mij wel, maar het goede teweegbrengen, dat vind ik niet. 19. Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. 20. Als ik nu dat doe wat ik niet wil, breng ík dat niet meer teweeg, maar de zonde die in mij woont.” Romeinen 7:18-20
Vraag 4. Wie deed het “kwade” in Romeinen 7:18-20?